Tom Tit Home | Boek 1 | Pagina 57 | Nederlandsch / Frans / English

Een zonderlinge blaker.

Men zal moeten bekennen, dat een glas water wel de zonderlingste blaker is, dien men kan bedenken; gij zult echter zien, dat hij niet slechter is dan een andere,

Bezwaar een eind stearinekaars, door er van onderen een spijker in te steken van zoodanig gewicht, dat de kaars juist tot den bovenkant inzinkt; de pit mag echter niet nat worden.

Als ge nu de kaars aansteekt, zal zij blijven branden, in weerwel van de voor haar zeer gevaarlijke omgeving.

Dit schijnt op het eerste gezicht buitengewoon; maar als men even nadenkt begrijpt men wat er moet gebeuren.

Door de verbranding wordt de kaars weliswaar korter, en schijnt de pit met het water in aanraking te moeten komen, maar daarentegen neemt het gewicht van de kaars daarbij af, waardoor zij stijgt.

Daar bovendien de stearine aan de buitenzijde door de vloeistof wordt afgekoeld, zal zij langzamer smelten dan in de lucht, de kaars zal van boven voortdurend holler worden, zoodat de vlam zich een soort van putje graaft, dat terzijde van de teekening is afgebeeld.

Deze uitholling werkt klaarblijkelijk mede tot het lichter worden van de kaars; en de pit zal, zooals te vermoeden was, tot het einde opbranden.

De practische zijde van deze proef is, dat de hoogte van de vlam van onze kaars even onveranderlijk is als die van den vloeistofspiegel en men aldus een lichtend punt van standvastige hoogte verkrijgt; dit kan van belang zijn bij photometrische proeven, welke ten doel hebben de lichtsterkte van verschillende vlammen te meten.